Lentemaands ruwheid geeft zomermaands luwheid.
Niet te droog, niet te nat, dan vult maart een duchtig vat.
Danst het lammetje in maart, april pakt het bij de staart.
Brengt maart storm en wind, de sikkel is de boer gezind.
Maart roert zijn staart, april doet wat hij wil en mei doet er ook nog wat bij.
Waait de wind in maart te fel, veel fruit verwacht men wel.
Als het weder is van goede zin, trekt de kou zijn steertje in
Komt men in maart omweer tegen, dan krijgt men in juli regen.
Daar is geen maart zo goed, of het sneeuw wel op de boer zijn hoed.
Een droge maart en een natte april, dat is de boeren naar zijn wil. 
Maart guur geeft een volle schuur.
Een droge maart, is een zomer te paard.
Maart niet te droog en niet te nat, Vult de boer zijn kist en vat.
Een droge maart, een natte april, een koele mei, vullen de schuren en de kelders van de boerderij.
Wat maart niet wil, dat neemt april.
Autoruiten nu nog steeds bevroren, dat geeft straks veel koren.
Stof in maart, is goud waard.
Maartse buien die beduien, dat de zomer aan komt kruien.
Een droge maartse wind, maakt de boeren goed gezind.
Een koekoeksroep ter helft van maart, is voor de boer een daalder waard.
Als in maart veel mist valt, in de zomer het onweer bovenmatig knalt.
Danst een lammetje al in maart, april vat hem bij zijn staart.
De kieviet legt in maart ook al vriest het op zijn staart.
Als de rook omlaag gaat, zeker dat het regenen gaat.
Zolang de kikvors zingt voor half maart, zo lang zwijgt hij nadien, de mottigaard.
Half maart licht en vuur uit de haard.
Veel wind in maart geeft appels in de gaard.
Zijn de mollen sterk aan het vroeten, regen komt dat werk begroeten.
Ijzel op de kale tak, is koren in de zak
Schaarse lentebloei geeft honger voor de koei.
Maart heeft kuren in de staart.